Ieder jaar, aan het begin van de zomer, was, en is, het een traditie dat men wegtrok, omhoog, naar "zomerkoelte". Naar verluid is dit gebruik al in 1576, in de tijd van de perst, in zwang geraakt.
Het traditionele verblijf duurde precies 72 dagen. Zo staat het in de annalen: op 29 juni, de dag van de heiligen St. Pieter en St. Paulus, pakten de welvarende families uit Bozen huisraad en voldoende kleding in kisten en dozen, werden de kinderen in zogeheten "Pennen" (uit takken gevlochten manden) gezet en werden zij, samen met de "mevrouw" – zij zat meestal hoog te paard – naar de koele hoogte gebracht. Van dit buitenverblijf, het Rittner zomerverblijf, genoten naast de "heer" voornamelijk de kinderen. De werkende mannen bleven meestal maar kort en bezochten hun families alleen in de weekends, een echte vakantie bestond destijds niet. Al in de "Acht Bozner Heerlijkheden", het reglement van iedere "echte" Bozner, schreef Karl Theodor Hoeniger: "Ganz unerlässlich ist zum Dritten, ein Sommerfrischhaus am luftigen Ritten ..." (vrij vertaald: "een zomerverblijf op de Ritten is een must").
Maar ook de adel en welgestelde burgers uit het gebied rond Wenen en de toenmalige Kronlanden schuwden de lange reis niet, en zo werd het hele gezin op de trein gezet en via de zuidelijke spoorweg, via de Semeering, Lienz en het koele Pustertal, naar Bozen vervoerd, en van daaruit werd iedereen met de reeds genoemde "Pennen" naar Ritten gebracht.
Net zo punctueel en plotseling als zij in juni ieder jaar opdoken, zo snel verdwenen de zomerbezoekers, uiterlijk begin september op de dag van Maria-Geboorte. De luiken werden gesloten, de banken en tafels weer in huis gezet, de deuren verzegeld, en wanneer de eerste bladeren in de laan vielen, waren de stedelingen al lang weer naar het dal getrokken.